Blog

Dancing Queen

Ik ben columnisten in kranten dankbaar voor hun bestaan. Zij weten kort, bondig en treffend te vatten wat mijn hart wel voelt, maar mijn hersens door de nog rondhangende mist niet in woorden omgezet krijgen. Zo ben ik volgens Sheita Sitalsing (VK) ultralinks geworden doordat de ganse politiek de rechterkant opgedanst is, terwijl er aan mijn ideeën en opvattingen de afgelopen twintig jaar niet zoveel veranderd is. Ultralinks klinkt heftig, radicaal bijna, ik weet niet zo goed wat ik van die term denken moet, ik word er een beetje moedeloos van. Het galmt nog wat na wanneer ik de volgende column lees. Andere krant, zelfde boodschap. Kari van der Heide (G&E) verwoordt het mooi: ‘Groen leven is een levensstijl. Eentje die wordt vergemakkelijkt of niet door de regering, maar er nooit van afhankelijk is. We gaan gewoon door.’

Zij gaat door, ik begin net. Want ook al stroken mijn idealen volledig met die van groene partijen, ernaar leven doe ik pas sinds kort. Films als ‘The Biggest Little Farm‘ en ‘Kiss the Ground’ inspireren me en doordringen me van het feit dat het anders moet én kan. Want hoewel veel linkse idealen als onrealistisch worden weggezet, betekent onrealistisch voor mij dat het er gewoon nog niet is. Niet dat het niet kan. Stap voor stap maak ik dan ook mijn eigen voetstappen groener, elke verandering, hoe klein ook, is er één. Dat realiseer ik me weer eens als ik met een coachingsopdracht in mijn hoofd en een schriftje in de hand sta te zien, voelen en ruiken wat er in mijn tuin gebeurt. Ik vind het er voor deze tijd van het jaar flink druk. De Polderbaan is er niks bij. Naast de ‘gewone’ honingbij, die zwaar van de klompjes stuifmeel nog een laatste kelkje leeg slurpt, danst een kleiner bijtje. Mooi bruin lijfje, met een roodachtig kontje.

Ik heb geen idee wie ze is. Nieuwsgierig geworden ga ik het wereld wijde web op, ietwat beschroomd, want ik heb net geleerd dat de datacenter in Hollands Kroon per uur twee keer zoveel water verbruiken als een gemiddeld huishouden in een heel jaar. Gelukkig wordt er wel nagedacht over waar bijen en andere insecten moeten leven, nu grasland en bloemenvelden getransformeerd worden tot blikkerende panelenzeeën. Tegelijkertijd bepalen pesticidenfabrikanten zelf hoe bij-vriendelijk ze zijn en staat daardoor het bijenrichtsnoer niet meer garant voor de bescherming van hommel en bij. Jakkebak, idiote wereld. Intussen doen de bijen die er nog zijn nietsvermoedend wat ze al duizenden jaren doen en ook nog duizenden jaren moeten blijven doen, namelijk planten bestuiven.

Waar het op veel terreinen dweilen met de kraan open is, pappen en nathouden, mosterd na de maaltijd, kan dat hier gewoon niet. We moeten voorkomen want genezen is niet mogelijk. Zonder bijen komt simpelweg een groot deel van onze voedselvoorziening in gevaar. Dan is er niet alleen geen mosterd meer, maar ook geen maaltijd. In mijn agenda staat voor 17 april dan ook een half uurtje bijentelling genoteerd. De 18e mag ook, net hoe je pet staat of hoe de zon schijnt. Ik hoop dat de rosse metselbij zich weer meldt. De blauwe druifjes staan al voor haar klaar. In de tussentijd blijf ik heerlijke maaltijden maken en ze vangen in beeld. Je weet nooit wat wij onze kleinkinderen later vertellen moeten…

Carnaval

Ik heb net mijn druipende jas boven de verwarming gehangen, handschoenen te drogen gelegd en een droge broek aangetrokken als ik zie dat de storm in de tuin wat verandering heeft aangebracht. Mijn tuinset is aan de wandel gegaan. De hoes die eromheen zit om het hout tegen dit soort weer te beschermen, heeft voor ballon gespeeld. Met enorme kracht bolt hij bij een nieuwe windvlaag op en schuift het geheel weer een paar centimeter verder. Ik weet niet wat hoes en tafel van plan zijn, maar ik scheid ze van elkaar en laat de tafel bloot in de tuin achter. Net voor ik de deur achter me dicht kan doen laat de wind een enorme brul horen en stort er een kussen uit het luchtruim achter me neer. Die gaat uit zichzelf nergens meer heen gok ik.

Van achter het keukenraam kijk ik naar de regen, mijn handen warmend aan een kop thee. Mijn bril beslaat en ik herinner me eenzelfde soort dag, twee jaar geleden. Dochterlief had ik achtergelaten bij een college over Mondriaan en toe aan iets warms begaf ik me naar het museumcafé. Nog voor ik de deur opende, hoorde ik het vrolijke gekakel van de stemmen die het café vulden. Eigenlijk te moe om ertegen te kunnen, ging ik naar binnen. Ik vond nog net een tafeltje in een hoekje, waar ik me installeerde met een nieuwe pen en een maagdelijk leeg notitieboekje.

Aan de verandering in mijn handschrift kan ik zien wanneer mijn bubbel lek werd geprikt; eerst gestoord voor thee en nootjes. Niet heel erg, snel weer verder. Maar nog geen regel verder schuift er een vrouw aan mijn tafeltje aan. Ze kan niet níet praten. Verontschuldigt zich er meerdere malen voor. In eerste instantie glimlach ik wat, duik weer in mijn hoofd, maar uiteindelijk kan ik niet om het gekwetter, getetter, gekakel en de tragiek heen. Hoe het me uiteindelijk is gelukt een samenhangend geheel op papier te krijgen, weet ik niet meer. Maar de overeenkomsten tussen wat ik schreef en het verhaal dat zich naast en om me heen afspeelde, zijn onmiskenbaar. Die tussen het carnavaleske van de dieren- en mensenwereld eveneens…

Vanaf de Leeuwenrots aanschouwt Koning Leeuw de savanne. Met trots overziet hij zijn onderdanen; het is hij die regeert, die bepaalt, die zorgt voor volle buiken en balans in de kuddes. Met één brul is het gemor aan vlarden, met één beet de prooi geveld.

Met licht ontzag – alhoewel nooit toegegeven – zie hij Olifant grazen. De slurf wiegend langs zachte sprietjes gras, teder haar kalf een zetje gevend; toe maar, je kunt het, het beekje is te doen. Olifant observeert en kiest bewust, haar stappen laten golven achter in het aardoppervlak.

Koning Leeuw aarzelt, hij twijfelt; zie de schildpadden daar in de verte onthaast hun poten verplaatsen, de zebra’s dartel tikkertje spelen, de vogels onverstoorbaar hun eigen lied volgen. Zelfs de botten, de resten van grootheden die eens waren, trillen zacht hun eigen deun voor wie echt luisteren wil.

Koning Leeuw brult toch nog maar eens en slentert dan terug naar de eenzame boom aan de rand van de rots. Hij zakt neer, zijn oogleden zwaar. Regeren kan ook slapend.

luister maar…

The Bridge

Ik moet net boven mijn macht tillen om de doos van de kast te krijgen. Met alle yogi-power die ik inmiddels in me heb, probeer ik mijn evenwicht te bewaren en zo de afstand tussen donker en licht te overbruggen. Ik wankel, doe een zielige poging met één hand mezelf en doos te redden, maar tevergeefs. De doos glipt uit mijn handen en we landen beide met een doffe plof op bed. Het deksel schuift wat van de rand, maar de inhoud blijft nog even geheim.

Aangezien ik naast intens, perfectionistisch en volhardend ook gigantisch lui en gemakzuchtig ben, is het me een raadsel wat ik aan ga treffen. Zijn het de albums waarin de foto’s aan de wandel zijn gegaan, de fotohoekjes als fossielen achterlatend op de bladzijden? Albums waarin de kiekjes benadrukt werden door handgeschreven data en geestig bedoelde onderschriften? Vergeelde randen, vervaagde kleuren, babyvet en retro kapsels? Of tref ik de digitale variant, waaruit nooit ook maar één afbeelding kan ontsnappen? Waarin de loop der gebeurtenissen blijft zoals hij is, met niet al teveel moeite samengesteld door een algoritme, gemak dient de mens.

Het blijkt de doos der bruggen. De brug tussen het Kodak-rolletje en Albelli-album. Maar ook van de letterlijke bruggen zoals die hier in Denemarken. Ze vertellen het verhaal van vakanties, van seizoenen, van techniek, van zoeken naar mogelijkheden om plekken, landen en culturen met elkaar te verbinden. Ze roepen associaties op met boeken en series, zoals die van de angstaanjagende gebeurtenissen op de brug tussen Kopenhagen en Malmö. Een brug die riekt naar duister en mysterie, intrige en je laten meeslepen. Niet in het minst aangewakkerd door de huiveringwekkende en toch prachtige titelsong die elke aflevering vergezelt. De klanken bezorgen me hetzelfde gewiebel in mijn onderbuik en gevoel van een vuist om mijn hart als dat ik als kind had, elke keer dat ik zag hoe Ronja poogde over de Hellepoel te springen. Oh wat gunde ik haar een brug! (Al was het maar om zelf weer rustig adem te kunnen halen…)

Naast die letterlijke brug, hadden zij en haar vriend Birk erg veel behoefte aan een figuurlijke brug. Een brug om de kloof tussen twee families te dichten, om een ruzie te beslechten, een vriendschap te herstellen. In mijn albums wemelt het van dit soort bruggen. Ik zie vervlogen tijden, vrienden van weleer, kleine en grote liefdes. Liefdes poserend naast een brug, diep van binnen wetend dat we de overkant niet samen zouden bereiken. Ik tref bruggen in families, generaties aaneengeregen, van het leven naar de dood, van het ene gezin naar het andere. Ik tref bruggen van jeugd naar jong volwassene, van zorgeloos en vrij naar denkend te weten wat het ritme van de levensdans is.

En elke keer dat ik pauzeer, mijn hersenen de broodnodige rust gun, een kopje thee maak, over het water staar en de radio aanzet, is daar een muzikaal bruggetje. Porgy and Bess openen in mijn hart het lijntje naar mijn grootmoeder, het klarinetconcert van Mozart haalt mijn opa erbij, en de opzwepende klanken van The West Side Story zetten me met mijn ouders naast de platenspeler en met vrienden in het theater. Ik was bijna vergeten hoe mooi ik dit alles vind en hoeveel vreugde er uit muziek te halen valt.

En alhoewel de critici niet per se te spreken zijn over dit album van Billy Joel, betreed ik toch zijn ‘Bridge’ en steek ik over, swingend het weekend in.

Ain’t no mountain

Ik houd niet van bergen. Ik vind ze beklemmend, ze belemmeren mijn zicht. Ik vermijd ze dan ook zoveel mogelijk; als het even kan blijf ik tijdens vakanties in Nederland, op Texel, woon ik aan het water, natte voeten gegarandeerd, mijn kreeftenhart innig tevreden.

Als ik dan toch naar de bergen moet – bijvoorbeeld na de ferme kreet ‘Ik wil naar de bergen!’ van dochterlief – en ik heb er iets over te zeggen, dan opteer ik voor die van de milde soort. Zo’n laf Zwitsers voor-Alpje met een flinke plas water voor de deur bijvoorbeeld. Prima, niks op tegen. Als de eis is ‘berg met klinkende naam’, ga ik voor de Kilimanjaro. Er door de Tanzaniaanse savanne op kilometers afstand langs rijden en vanuit de bus verzuchten hoe mooi en gaaf en imposant de berg wel niet is. Kan ik ook.

Er zijn echter ook nog andere bergen. Van die figuurlijke. Die laten zich niet zo gemakkelijk negeren. Het liefst nestelen die zich pontificaal in mijn gezichtsveld. Groot, woest, donker, kaal, onneembaar. Oneindig hoog, oneindig breed. Telkens vraag ik me weer af waarom er geen lieflijk kabbelend beekje langs deze bergen stroomt. Beekjes waaruit je verfrissend water uit je handen kunt drinken. Waarom er geen bankjes staan om lekker even op uit te rusten. Waarom ik geen gezellig paadje zie waarlangs Milka-koeien met bellen staan te grazen en waar je – vooruit, fantaseren kost niks – in je dirndljurkje overheen kunt huppelen. Waarom ik überhaupt geen pad zie.

Maar de bergen horen bij me. Ik bedwing ze, ik beklim ze, ik boor tunnels en leg passen aan. Geen berg blijkt uiteindelijk te hoog. Ik kom aan de andere kant en geniet. Ik geniet van het uitzicht, de hoogvlakte, het overzicht, de blik op het landschap voor me. Ik rust uit en adem zuurstof in. Want daar, in de verte, gloort de volgende…

Add to the pile

Deze week belandde er een mail in mijn inbox over teveel denken en daardoor niet tot handelen komen. Ik herken me er vreselijk in; de vele vervolgvragen die bijvoorbeeld opkomen bij een vraag als ‘wil je in een melkveebedrijf werken?’ Ja, over dit soort vragen denk ik na. Die worden mij namelijk gesteld in de interessetestjes waarmee het reïntegratiebureau denkt mij hop hop hop aan een andere baan te kunnen helpen. Dat iedereen die er iets over te vinden heeft daarbij vergeet dat ik überhaupt nog niet zover ben dat ik weer kan werken, laat staan dat ik weet of ik een andere baan wil, is blijkbaar bijzaak. Of nog niet eens. Geen zaak.

Maar dat terzijde. Het is een leuke vraag, over dat melkveebedrijf; wat is het dan voor bedrijf? Eén met een Lely Astronaut en lekker eigenwijze koeien die uit zijn op biks? Eén met een gezellig winkeltje op het erf, waar je biologische producten van eigen grond kunt kopen, waar tijd is voor een praatje en de vliegen zich oogluikend tegoed doen aan de kaasblokjes? Eén met een speurtocht, een terrasje, workshops en zelfgemaakt ijs? En dat ik dan na het werk in mijn dagboek schrijf over wat ik de hele dag zoal beleefd heb?

Want dat schrijven, daar gaat het natuurlijk over. Schrijven is wat ik echt leuk vind, waar ik energie uit haal, wat ik ook op zondag doe, wat de aanzet van mijn vleugels vormt. Elke dag het ritme volgen dat voor mij werkt. Me blij voelen, vleugjes flow ervaren. Proberen de vorm te vinden, passend bij de eindeloze stroom puzzelstukjes in mijn hoofd. Of net als Danny Vera afstemmen op de juiste frequentie en door de ruis heen ineens die heldere zin horen, de brug naar een kloppend verhaal.

Dáár droom ik van en tegelijkertijd gaat dáár mijn ‘teveel’ aan denken en mijn innerlijk geknaag over. Want leuk dat ik van schrijven hou, maar wat ga ik dan schrijven? Zal ik ooit kunnen leven van mijn schrijfsels of moet er altijd wat anders naast? En wat moet dat andere dan zijn zodat ik genoeg energie voor het schrijven overhoud? Zal ik van schrijven ooit mijn droomleven kunnen financieren? Er zijn maar zo weinig mensen die dat echt lukt. Want wie leest mijn werk? Is het überhaupt goed genoeg? Moet ik blogs blijven schrijven of me toch wagen aan een echt boek? Mijn gedichten nieuw leven inblazen? Er zijn al zoveel blogs, zoveel zelfhulpboeken, zoveel lichte/luchtige romans. Is wat ik schrijf wel origineel genoeg? Ik ken de grote stapels bij de uitgevers op het bureau maar al te goed. Het heeft eigenlijk geen zin eraan te beginnen…

Dit soort vragen en geweeklaag weerhield me er lange tijd van ook maar een letter op papier te zetten. Ik was het bos weliswaar tot aan de rand genaderd, maar er zeker van dat achter elke boom een beer verstopt zat. Een beer die me zou verslinden, vermorzelen, of tenminste het bos uit zou weten te jagen. Hoe ik in hemelsnaam aan de andere kant van het bos terecht moest komen, geen idee. Voor mijn gevoel was het onmogelijk en een zinloze exercitie.

Ik zette maar weer eens een podcast aan, in de hoop iets opbeurends en inspirerends mee te krijgen. Toegegeven, ik zat te miesmuizen en zwelgen in medelijden over mijn huidige staat van zijn. Luisteren lukte maar net. Het gesprek tussen Marie Forleo en Elizabeth Gilbert begon met de nodige introducties en halleluja’s over hoe geweldig ze elkaar wel niet vonden. Daar gingen mijn gedachten alweer; ‘jaja, zij wel, dat lukt mij nooit’, waardoor ik bijna de essentie van het gesprek miste. Maar ineens – alsof ik na eindeloos braakballen pluizend tussen al het stof ineens een puntgaaf skeletje tevoorschijn toverde (oké, misschien een gekke vergelijking) – was daar dat statement:

I don’t care if it’s been done. I don’t care if it’s been done ten thousand times. If you need to do it; do it!

Er ging een knopje om. Heel simpel eigenlijk. Oké dames, als jullie het zeggen zal het wel zo zijn! Blijkbaar heb ik het nodig van een ander te horen dat het gewoon goed is te doen wat je wilt doen. Dat het niet uitmaakt dat er al duizenden schrijvers, coaches, schilders, bakkers, hoveniers of acteurs zijn; als jij iets toe te voegen hebt dan moet je dat doen. Voor elke toevoeging aan de stapel is er vast ook iemand die net op jouw bijdrage zit te wachten. En eigenlijk moet je doen wat je wilt doen omdát je het wilt doen. Ongeacht of je er een bepaald resultaat mee wilt behalen, dat is stap twee (of tien of honderd…).

Ik ben dus ik schrijf. Voor mezelf, voor wie dit leest. Ik doe het gewoon. Omdat ik dat wil. Wat er aan de andere kant van het bos is; geen idee. Of het echt een donker, wild woud vol met beren is; geen idee. Adrienne van den Bos verwoordt het mooi: het brein kan niet zien wat er onderweg door dat donkere bos nog gaat gebeuren. Dus hup, uit het denken in het doen. Met volle angst vooruit!

een vogel
een astronaut
een koe ziet zich beloond
een volle uier
leeggetankt
geloei op volle kracht

een piep, gestaag
een fotograaf
een speels model gekiekt
de stilte klinkt
vol bravour
een trekker gooit 'm om

een kind
een bezem
licht sabbelend gesmak
bruine ogen
lange wimpers
de geur van mest bezinkt

Laat ze dan cake eten!

Bovenstaande uitspraak werd lang toegeschreven aan de Franse koningin Marie Antoinette. Ze zou deze – nogal onnozele – woorden hebben gesproken toen ze te horen kreeg dat het Franse volk geen brood had om te eten. Uit onderzoek is gebleken dat ze de woorden niet gesproken kan hebben, maar ze zijn evengoed typerend voor wie zij als koningin was. Een van nature lieve, muzikale, maar ietwat ongeïnteresseerde vrouw, die als vijftienjarige werd uitgehuwelijkt aan de Franse koning ‘to be’. Ze belandde in Versailles in een sprookjeswereld, waarbij de koning kosten nog moeite spaarde om in haar behoeften te voorzien. Ze grossierde in juwelen, had een eigen theater en zelfs een boerendorpje op het landgoed. Haar vermeende leeghoofdigheid en spilzucht leverden haar de bijnaam ‘Madame Staatsschuld’ op, in een tijd dat Frankrijk op het randje van bankroet balanceerde. Niet handig als de guillotine nog in de top tien van volksvermaak staat.

Een man die de opdracht had gekregen om hervormingen door te voeren om de financiën weer op orde te krijgen, was staatsman Charles Alexandre de Calonne. Wie mij een beetje kent weet ik dat ik niet per se heel veel interesse in geschiedenisfeiten heb, net zo min als dat ik op wat voor manier dan ook financieel onderlegd ben. Toch ben ik in het verleden van deze man gedoken doordat een van mijn favoriete quotes hem toegeschreven wordt:

The difficult is what takes time, the impossible is what takes a little longer.

Net als dat Hamlets ‘to be or not to be’ voor mij een andere betekenis heeft dan de oorspronkelijke, geldt dat hier ook. De Calonne zou deze uitspraak gebezigd hebben tegen de lieftallige Marie Antoinette, elke keer dat zij hem weer om geld vroeg om jurken, juwelen, schoenen, feesten of copieuze feestmalen te financieren. Goochelen met geld dus; niet dat van de koninklijke familie, maar van de Franse staat. Schijnbaar voert het Amerikaanse leger inmiddels deze gevleugelde uitspraak als slogan, wat mijn enthousiasme wel een kleine deuk toebracht.

Toch prijkt de tekst op de muur van mijn werkkamer. Ik wil namelijk ook hervormen en dat is geen sinecure. Ik zal niet direct zo hoog inzetten als op het saneren van het financiële bestel van een hele staat. Alhoewel, ik zou maar wat graag een dagje de baas zijn daar in Den Haag. Ik zou wel weten waar het geld vanaf dat moment heen zou gaan, welke zinnige afspraken er gemaakt zouden worden. Met het vetorecht dat ik mezelf dan toebedeel zal het er in Nederland toch aardig anders uit komen te zien. Met de nadruk op aardig.

Ik begin wat kleiner en dicht bij mezelf. Ik start bij het hervormen van mijn overtuigingen; die zijn toe aan een grondige update. Een voor een kijk ik ze aan en waar nodig geef ik ze een zetje. De één laat zich moeizaam in beweging zetten, de ander is zo om. Zo vergaat het mijn overtuiging dat ik ‘niks’ met geschiedenis heb. Die blijkt ook te dateren uit mijn middelbare schooltijd. Feiten stampen, samenhang missen, geen link zien naar het hier en nu maakten dat de magie van onze geschiedenis aan me voorbij ging. Geef me echter een goede historische roman (en ja, ook literatuurwetenschappers kunnen Lucinda Riley waarderen), prikkel me met een catchy quote of zet me een wervelende film voor en ik ben om! Op naar de volgende uitdaging: ‘Add to the pile’. To be continued…

To be or not to be …

Aan mijn middelbare schooltijd heb ik een – op zijn zachtst gezegd – merkwaardige overtuiging overgehouden. Tijdens een gesprek met een van de docenten, kregen mijn ouders de boodschap mee dat ik niet zoveel vragen moest stellen. Ik was vreselijk verbolgen toen ik ervan hoorde – ik stelde nauwelijks vragen (dat durfde ik namelijk helemaal niet), dus over wie ging deze opmerking? Wie had de docent in zijn gedachten en hoe kon het dat hij dit over mij dacht? Deze vragen uitspreken deed ik echter niet …

Wat een destructieve uitwerking deze overtuiging op mij heeft gehad, is me inmiddels helder. Ik, die doorgaans bomvol vragen zit – het leven hangt wat mij betreft van vragen aan elkaar – durfde ze niet meer te stellen. Maar vragen die eenmaal oppoppen, laten zich niet graag onbeantwoord. Het effect was een kluwen van ronddolende vragen, onuitgesproken, verbannen naar een soort Luilekkerland met aan de poort een groot bord ‘Verboden toegang! Niet betreden!’ Dat is niet per se erg waar het een vraag betreft als ‘waarom bestaan er twee ei’s/ij’s?’ Van het antwoord hangt geen levensgeluk af, geen richtingbepalende keuze en ook geen verandering van zelfbeeld. Lastiger wordt het als het vragen betreft over hoe een ander een bepaalde opmerking heeft bedoeld of hoe je als partners tegen opvoeding aankijkt. Dat soort vragen onbeantwoord laten, leidt tot een keur aan innerlijke monologen, waarbij je zelf zo slim denkt te zijn het antwoord van de ander wel even te weten. Spoiler; dat is niet zo.

Na jaren steeds verder van Luilekkerland af te zijn gedwaald, heb ik het pad terug ontdekt. Zonder het te weten heeft een grote meester, naamloos opgevoerd in het prachtige boek Hamnet, mij een duwtje in de juiste richting gegeven. Gedreven door een zielsverwantschap trouwt Shakespeare met de bijzondere Anne. Ze krijgen samen drie kinderen, van wie er één al jong overlijdt. Het huwelijk dreigt het verlies niet te kunnen dragen, mede omdat Shakespeare inmiddels al vele jaren in Londen woont en daar aan de weg timmert met zijn toneelstukken. Het opvoeren van hun dode zoon in Hamlet, doet een grootse woede in Anne ontsteken. Haar ongeloof over zoveel ongevoeligheid en onverschilligheid keert wanneer ze doorheeft dat het stuk juist een eerbetoon is aan hun geliefde Hamnet. De beroemdste quote uit het stuk gaat in principe over kiezen voor een leven vol lijden of verglijden in de dood. Voor mij staat het juist voor iets anders: zijn – met heel je wezen, al je talenten en tekortkomingen, lerend, ervarend, vallend en opstaand, maar authentiek en trouw aan jezelf, net als Shakespeare zelf – tegenover niet zijn, en maar doen wat je denkt dat hoort en zijn wie je denkt te moeten zijn. Voor mij is het geen vraag meer.

Waar de winterkou heel de aarde kleurt

Ik besluit mijn boodschappen lopend te gaan halen. Met een plagend in kracht toenemende noordooster in mijn rug vinden mijn voeten als vanzelf de juiste cadans. Wanneer ook ik aan het ritme gewend ben, bemerk ik het liedje in mijn hoofd. Ik glimlach en zie onmiddellijk dochterlief voor me, zittend achter de piano, in een poging de melodie te vangen. Deze week werd ons muzikale dieet namelijk gedomineerd door Nathan Evans en zijn versie van The Wellermen. Google maar eens, niet te missen.

Het lied verhaalt over walvisvangst, afgepeigerde en uitgebuite bemanning en een niets ontziende kapitein. Pijnlijke onderwerpen op welk gebied er sinds 1860 – de vermoedelijke ontstaansperiode van het lied – niet veel veranderd lijkt. Toch is juist het element van volharding, wel door moeten gaan, niet opgeven, je schikken naar de situatie hetgeen het lied nu zo populair maakt. Het “authentieke gevoel van stoïcijnse verdraagzaamheid” spreekt (jonge) mensen in lockdown aan, en zo is de opleving van zeemansliederen binnen no time een feit.

Gedragen door het ritme en met de snijdende wind inmiddels recht in mijn gezicht geef ik me over aan de dertig minuten terug naar huis. En dan valt me wat op. De stoïcijnse blikken die de afgelopen maanden het straatbeeld domineerden zijn her en der vervangen door een twinkeling. Er zit een vleugje vreugde in de pas van de vrouw op snowboots. Een man trekt zijn kraag wat verder op. Hij richt zijn blik omhoog en snuift de geur van de naderende neerslag op. Een tuindeur gaat wijd open en ik aanschouw verwonderd een duet tussen man en merel, zo te horen een dagelijks ritueel. In het tere boompje straalt de bloesem.

Thuis word ik begroet door de sneeuwschep die naast de deur post heeft gevat. De eerste sneeuwvlok nog mijlenver, maar ook ik kan er wat van. Binnen warm ik mijn handen aan een kop thee, mijn benen tegen de verwarming gedrukt. Op het meer bedwingen zeelui hangend aan felgekleurde kites het water. Morgen kleurt de aarde wit. De natuur geeft ons een canvas om een nieuw verhaal op te beginnen. Vanuit puurheid, vanuit helderheid, vanuit licht.

Listen, are you breathing a little and calling it a life?

Mijn yogasessie is klaar en ik blijf nog even op mijn matje liggen. Buiten drijven wat lichte wolken langs een blauwe lucht. Meeuwen vliegen snibbig achter elkaar aan. Een ekster sleept een lange dunne tak hoog de boom in. Mijn wekkertje gaat. De bijbehorende vraag speelt zich inmiddels als een mantra af. Zeven keer per dag keer ik naar binnen, speur ik mijn lichaam af op zoek naar wat daar allemaal gaande is. Gedachten, gevoelens, fysieke sensaties, herinneringen. Alles dat zich aandient hoef ik enkel te omarmen en er vervolgens gewoon te laten zijn.

Alleen, met dat ‘gewoon laten zijn’ raak ik dikwijls in een strijd verwikkeld. Gewoon, dat zijn de ganzen die twee keer per dag van zich laten horen, in grote getalen aanwezig zijn, maar zich overdag listig weten te verstoppen. Gewoon, dat zijn de narcissen en sneeuwklokjes die klokslag februari hun kopjes opsteken en als verkenners voor de voorjaarsbloeiers uit marcheren. Gewoon, dat is het roodborstje op de vensterbank. Maar mijn ervaringswereld in het licht zetten en het enkel aanschouwen is voor mij een vorm van kunst.

Nu ik er zo over nadenk en dit zo opschrijf, is er niks eenvoudigers dan het aanschouwen van kunst. Het bewonderen van een schilderij, het verwonderen over de uitdrukking op een beeld, het luisteren naar schakeringen in muziek, het genieten van een treffende dichtregel. Je doet dat zonder er ook maar iets aan te willen veranderen. Er hoeft niks opgelost, niks verstopt of weggedrukt te worden. Alles mag er gewoon zijn zoals het is. Net zoals de natuur er ‘gewoon’ is zoals zij is. Alhoewel er over dát ‘gewoon’ natuurlijk best nog wat noten te kraken zijn…

...
To sit down, like a weed among weeds, and rustle in the wind!
Listen, are you breathing just a little, and calling it a life?
While the soul, after all, is only a window,
and the opening of the window no more difficult
than the wakening from a little sleep.
...
                                                                  Mary Oliver

En het land verwachtte de ganzen

Midden in de nacht word ik wakker. Rauwe keel, warme wangen. Het raam ruimschoots open, maar de koelte van de noordoostenwind bereikt mijn kamer niet. Op weg naar een glas water hoor ik het gegak van een enkele gans. Het komt uit de verte, doorklieft de stilte, trekt langs en sterft weg. Ik vraag me af waarom hij alleen is. En als hij nu nog hier zijn dagen doorbrengt, of hij dan nog wel verder naar het zuiden zal trekken. Hoe bepaalt hij of dat nodig is? Zal het nog kouder worden? Weet een gans dat? En als hij besluit hier te blijven; wat moet het land dan waar hij doorgaans neerstrijkt? Ligt dat niet te wachten op happende snavels, een laagje mest, dons en masserende zwemvliezen? Mist het de warmte van een buik bedekt met vet? En hoe zit dat met het geluid en de trillingen die dat voortbrengt? Doen die iets met de omgeving wat nu uitblijft?

De gans is onderdeel geworden van een experiment. Niet alleen in mijn gedachten, waar de vragen uiteindelijk weggevaagd worden door de slaap. De gans is real life met zijn gedragsverandering zomaar onderdeel geworden van een groots experiment. Het experiment dat klimaatverandering heet. Een experiment met grootse effecten die niet terug te draaien zijn. Althans niet in de korte duur van een mensenleven.

Wanneer de nacht gedoofd is en het daglicht aan, kies ik voor een eigen experiment. Het is geen gemakkelijk experiment. Voor mij dan. Ik kies nu op dit moment, in mijn eigen werkkamer, namelijk voor mezelf. Ik kies ervoor om te gaan schrijven. Een blog. Over ganzen. Vraag me niet waarom, daar ben ik zelf ook mee gestopt. Dit is wat nu in me leeft.

Kiezen voor schrijven voelt als spijbelen; in mijn onderbuik bonkt de onrust rond en bestraffende gedachten proberen mijn aandacht te trekken; ‘Dit mag nu niet! Je hoort ‘aan het werk’ te gaan! Wat gaan ‘ze’ hiervan vinden!’ Om mijn lippen krult echter een grote glimlach en mijn hart maakt sprongetjes van geluk. Ik kan niet anders dan bij deze krachtige, bruisende energie blijven en mijn vingers over het toetsenbord laten gaan. Dit is wat nu in me leeft.