Blog

Oh, kom er eens kijken…!

Op het dak van het schuurtje van de buren strijken twee eksters neer met een fantastisch feestmaal; een half stokbrood! Samen hebben ze het gevaarte – toch al snel hun eigen totale lengte – op het dak gehesen. Begeleid door hun kenmerkende schorre gekras dartelen ze er vrolijk omheen. Ze laten elkaar geduldig om beurten een stukje korst afpikken, waarna de gelukkige een stukje verderop zijn hapje oppeuzelt. De ander trippelt uitgelaten op het verse brood af om zijn deel soldaat te maken. Ze gaan volledig op in het genieten van hun buit, het is een prachtig en aandoenlijk gezicht.

Wat ze echter even zijn vergeten, is dat ze niet de enigen zijn met vleugels en hun feestje dreigt dan ook binnen korte tijd in het water te vallen. In de sierpeer is een familie mussen neergestreken en ook wat merels melden zich. Maar net zo snel als ze daar aankwamen, vliegen ze weer op; een grote kraai neemt dreigend plaats op een hogere, dikke tak in de wilg. Hij wacht nog even en lijkt stiekem te genieten van zijn eigen dreiging. Hij deint wat op en neer, maar vindt het al snel wel welletjes. Statig daalt hij af naar het dakje en met een korte beweging van zijn kop jaagt hij de eksters de kastanjeboom in. Vanuit het nest dat het koppel daar dit voorjaar bouwde, kijken ze toe hoe hun ontbijt verdwijnt. Hadden ze hun geluk maar niet zo hard van de daken geschreeuwd….

Foto door shravan khare op Pexels.com

Ik persoonlijk vind het juist helemaal niet erg als ik mensen nieuwsgierig maak naar het eten dat ik kook of de baksels die hier uit de oven komen. Als kind al bakte ik het liefst wekelijks appeltaarten en struinde ik met een vriendinnetje de markt af op jacht naar stroopwafelkruimels. Tijdens mijn uitgeverij-jaren vond ik het werken aan kookboeken een van de leukste klussen om vervolgens thuis van alles en nog wat uit die boeken uit te proberen. Vooral zoet; hemelse modder, bitterkoekjes met witte chocoladesaus, meringue, zelfgemaakte bonbons, chocolade fondue…. Dat zoet vooral heel erg lekker is, maar op de manier zoals ik die tot me nam niet zo heel erg gezond, werd me wel duidelijk door de dieetboeken waar ik ook aan meewerkte. Onder andere een boek over het Okinawa-dieet plantte bij mij een zaadje. In de jaren die volgden ben ik me steeds meer gaan verdiepen in wat nou echt gezond eten is én hoe je dan toch nog taartjes, toetjes, koekjes en heerlijke broodjes kunt blijven eten.

Inmiddels is de eerste bron die ik raadpleeg als ik behoefte heb aan een lekker, voedzaam én zoet recept het boek Gezond bakken van Amber Albarda. Aangezien het in deze tijd van het jaar een behoorlijke uitdaging is om niet te zwichten voor alles dat er in de schappen van de supermarkt ligt (spoiler: 80% ongezond), ben ik blij dat ik elk jaar weer terug kan vallen op een heerlijk recept voor kruidnoten! Voor wie liever lui dan moe is; wees welkom om ze hier te komen proeven! Voor wie wel graag in de keuken staat, voor een druilerige middag een activiteit zoekt of nu ook eens een ander pad in wil slaan dan het ge-eikte supermarktpad, bij deze het recept! Dus, bakkers klaar?

Tips:

  • Gebruik amandelmeel ipv zelf te malen. Eet je geen noten of houd je niet van amandelmeel? Vervangen kan door boekweitmeel, rijstmeel, havermeel, bakbananenmeel of bijvoorbeeld tijgernotenmeel. De verhoudingen liggen dan wel iets anders; meestal heb je dan iets meer ander meel nodig en soms ook wat meer vet. Gewoon experimenteren en uitproberen!
  • Heb je geen medjouldadels maar gedroogde? Neem dan ca. 1,5 keer de hoeveelheid en laat ze even weken in water.
  • Wil je het recept volledig glutenvrij maken? Vervang dan ook het speltmeel door bijvoorbeeld boekweitmeel, rijstmeel, havermeel of bakbananenmeel.
  • Let op: als je bakbananenmeel gebruikt, heb je juist minder nodig! Voor 100 gram van een andere meelsoort heb je slechts 60 gram bananenmeel nodig.
  • Tip: bij Holland & Barret kun je al deze meelsoorten krijgen, maar ook bij de meeste supermarkten vind je inmiddels boekweit- en bananenmeel.
  • Ongeduldig? Bak dan gewoon meteen!

Nostalgie

Het was zo’n avond waarop de televisie uitbleef, de telefoons achteloos ergens op een tafeltje, kast of op het aanrecht achter waren gelaten. Het was stil in huis, de klok tikte wat en af en toe zwol van buiten het gegak van de ganzen aan. Het licht boven de tafel brandde gemoedelijk en op diezelfde tafel heerste een georganiseerde chaos. Papieren, lijm, kwastjes, potjes, dekseltjes, placemats lagen ontspannen op, over en door elkaar, niet gehinderd door de gebruikelijke opruimwoede van de vrouw des huizes. Het was zo’n avond die in een ander tempo verglijdt, zo’n avond waarop vanuit de stilte bespiegelingen en levensvragen luchtig opgeworpen kunnen worden. Sommige blijven wat boven de tafel hangen en vallen na verloop van tijd uiteen als een wolkje dat zijn vorm in de ruimte verliest. Andere worden als met een hengeltje uit het luchtruim gevist en vormen een eerste draadje voor een mooi gesprek.

Zo kwam het dat tussen het scheuren, smeren en plakken door ineens de volgende woorden vielen: ‘Laat de eenvoud voor zich spreken.’ Ik kon niet anders dan het beamen – want hoe heerlijk was deze avond, gevuld met stilte, met eenduidig en eenvoudig bezig zijn, met iets moois maken, met rust in de koppies en rust in het huis? Met samen zijn, genieten van een ouderwets knus avondje? Mijn gedachten waaierden alweer uit richting de kerstverhalen waarin meneer Bitterbal, het dorpje Knötelö en een kerstman op een knijpertje de hoofdrol spelen. Een warm gevoel strekte zich vanuit mijn onderbuik uit tot mijn hartstreek en ook in mijn hoofd gingen de sfeerlichtjes branden. De verwarring was dan ook enorm toen de woorden ‘ja, want een krentenbol met oude kaas is echt vies!’ mijn hersens raakten. Waar kwam die krentenbol opeens vandaan? En dan die oude kaas? Ik kon ´m bijna ruiken en vertrok alvast mijn neus in een grote rimpel. Met moeite trok ik me los van de verrukkelijke kerstnostalgie en keek vragend naar de overkant van de tafel.

´Mam, hoorde je eigenlijk wel wat ik zei? Het lijkt wel of je nu toch echt doof wordt!’ Ik trok mijn schouders op en golfde een quasi onschuldige verontschuldigende blik richting mijn dochter. Blijkbaar stond mijn ontvanger op een andere zender afgestemd. Nadat dochterlief haar krentenbollen-moet-je-nooit-met-oude-kaas-eten-betoog had afgerond, tunede ik weer in op een van mijn voorkeurszenders. Het was de zender van de Aha!-erlebnis. Want wat ik me ineens realiseerde was niks nieuws en zeker geen rocket science, maar wel een oorzaak van veel conflicten en misverstanden: in communicatie vergeten we heel vaak af te stemmen op de frequentie van de ander. We zenden vanuit ons eigen veld en verwachten dat de informatie bij de ander net zo aankomt als wij die bedoeld hebben. Maar als de ander op een andere frequentie is afgestemd of de ontvangst niet zo fantastisch is, is er al snel ruis op de zender, met alle onbegrip en gedoe van dien. Helemaal een janboel wordt het als de ander ook op zenden staat; dan hangt er van alles in de ether, maar wordt het door niemand gehoord.

Het is materie die door communicatiedeskundigen, teamleiders en allerlei andere adviseurs trouw in ontwikkeltrajecten wordt meegenomen. Nuttig? Vast. Maar wellicht is een avondje nostalgisch luisteren wel net zo effectief (en in elk geval véle malen leuker…).

Mmmmm…

Het duurt nu al een tijdje. De ruimte tussen de vorige post en deze wordt steeds groter. Er borrelt maar heel weinig omhoog dat graag gehoord, gezien en gelezen wil worden. Ik sla wat putjes om te onderzoeken waar de stroom zich bevindt, maar mijn handen blijven droog, mijn geest blijft stil. Ik richt me op de dagelijkse dingen, erop vertrouwend dat wat er leeft in mij zich vanzelf laat zien. Helemaal zonder spanning gaat dat niet, want de tijd leert me dat dit een soort stilte voor de storm is. De tijd leert me echter ook dat mijn onderstromen niet meer tot vulkaanuitbarstingen of orkanen hoeven te leiden. Been there, done that, zeg ik glimlachend tegen mezelf.

Wat me nu dan ook met regelmaat meer bezighoudt dan mijn eigen onderstromen, zijn de uitingen op het wereldtoneel. Vulkaanuitbarstingen, bosbranden, overstromingen; de aarde heeft nogal wat ontlading nodig. En echt niet alleen van haar eigen natuurkrachten. Alles is immers één. Wat de natuur laat zien, is een weerspiegeling van wat er in de mensen leeft.

Wat zou het toch fijn zijn als we weer in rustiger vaarwater terecht komen, waarin we op wat golfjes kunnen deinen en slechts door die deining weer helder hebben: oh ja, zo kan het ook. Oh ja, zo kun je het ook zien. Of om met Gandhi te spreken:

In a gentle way you can shake the world

Waar ik voor dit blog langs allerlei thema’s ging als meningen, me/myself & I, monsters, manifestatie, motivatie, middelaarde, mysteries, MacBeth, Madonna en de melkweg, kwam ik uiteindelijk in het midden uit:

Moedige mooie mensen mogen meedoen

Foto door Pixabay op Pexels.com

Leren vragen

Vanaf ons Brabants vakantieadres kun je via allerlei prachtige paden op pad door het bos, via vennen en beken, door dichtbegroeide stukken en langs open velden. Loof- en naaldbomen vormen samen een dicht, groen dak dat ons afwisselend beschermt tegen al te felle zonnestralen en dan weer droog houdt van een bui. Buizerds vliegen miauwend boven de velden, bosmuisjes wagen zich kort uit hun schuilplaats om wat lekkers bijeen te scharrelen, om zich daarna weer snel terug te trekken onder de struiken. Dat augustus met rasse schreden nadert, vertellen de bramen; een deel van de vruchten kleurt al aardig zwart.

Direct nadat we ons geïnstalleerd hebben willen we er dan ook op uit, benen strekken na de autorit en deze voor ons onbekende omgeving verkennen. De jongedames in ons gezelschap krijgen zeggenschap over de route; een aloude truc om ze mee aan de wandel te krijgen. Alle prachtroutes die we ze als keuze voorleggen worden met opgetrokken wenkbrauwen aangehoord; hoe kunnen we het verzinnen, er is toch maar één richting denkbaar? En zodoende lopen we even later langs de weg – netjes aan de linkerkant want een wandelpad ontbreekt – en sputteren we nog wat na over gemiste mooie paden. Al snel schikken we ons in ons lot; de aanblik van twee tieners die op de rand van de puberteit balanceren en nu als twee dartele veulens voor ons uit galopperen, doet ons hart smelten en tovert een grote glimlach op ons gezicht. Even geen telefoons, geen dure pretparken, maar gewoon spel vanuit het hart. En hun beider harten kloppen het ritme van een gezamenlijke wens; bezig zijn met paarden.

Lange meisjesbenen houden halt voor een van de boerderijen die we op de heenweg gespot hebben. In de weilanden achter de boerderij zien we meerdere paarden grazen. Het plan is om aan te bellen en te vragen of de meisjes mee mogen helpen bij het verzorgen van de paarden. Aan het begin van de oprit hangt echter een bord ‘verboden toegang voor onbevoegden’ en dat durven we niet te negeren. In de hoop iemand te zien die we kunnen aanspreken, blijven we nog wat dralen aan de rand van het terrein. Het blijft stil. We nemen de naam van de boerderij in ons op en beloven later op de website te kijken of we contact kunnen leggen.

Enigszins teleurgesteld druipen de meiden af, maar al snel herinneren ze zich de volgende boerderij waar ze ook paarden hadden zien staan. En weer gaat het in galop, op naar de volgende stop. Ook hier treffen we een bord ‘verboden toegang’, vastgespijkerd aan de boom die de hoek van het perceel markeert. Om de een of andere reden druipen we niet af, maar blijven met z’n vieren staan om te bespreken wat dat dan eigenlijk inhoudt ‘verboden toegang voor onbevoegden’. Mogen we nog geen centimeter verder? Mogen we niet door het hek heen dat naar het huis leidt, maar wel naar de bel lopen, want dat doet de postbode toch ook? Waar we normaal gesproken snel weg zouden zijn gegaan, voeren we nu een mooi gesprek over ‘vragen & ontvangen’. Want wat kan er gebeuren als we toch aanbellen? De bewoners kunnen boos worden omdat we het bord genegeerd hebben, dat is scenario 1. We geven de meisjes ook scenario 2 mee: Als ze netjes uitleggen waarvoor ze komen en respectvol zijn naar wie er dan ook maar op de bel afkomt, zal de reactie vast oké zijn. ‘Vragen mag’ is namelijk een onderwerp dat we op de heenweg uitvoerig hebben besproken. Hoog tijd om het dus ook in de praktijk te brengen.

Nadat de meiden hun moed bijeen geraapt hebben, een soort van script hebben doorgesproken, is het nogal een anticlimax dat er niet open gedaan wordt. Het blijft na meerdere keren de koperen bel geluid te hebben heel stil. We passen ditmaal de ‘we gaan nog even naar die en die landwinkel en dan mogen jullie daar iets lekkers uitzoeken’-truc toe om de wandeling te kunnen vervolgen. Van de dame achter de toonbank leren we dat bij de eerste boerderij een paardenfluisteraar werkt, maar dat die in deze periode heel druk is met zomerkampen. Vandaar dus de stilte op het terrein. Het tweede huis lijkt op slag vergeten doordat er geen censuur zit op de keuze voor een ijsje. Na ijs voor de meisjes en een bak overheerlijke aardbeien voor de moeders gaat de wandeling alsnog via mooie bospaden en langs een weiland waar drie prachtige paarden nieuwsgierig naar het hek komen en zich uitgebreid laten aaien.

Op de terugweg zien we een extra auto bij huis twee staan. De meiden bellen opnieuw aan en vrijwel direct vliegen er twee honden op het hek af, gevolgd door de heer des huizes. Wij moeders slaan het geheel vanaf een afstandje gade, maar voegen ons bij het gesprek als ook de vrouw des huizes erbij komt. Beide mensen zijn wat verrast door de vraag van de meisjes, maar op een aangename manier; ze vinden het eigenlijk heel stoer een dapper en getuigen van lef om zo op je doel af te durven gaan. Ze mogen dan ook de volgende middag langskomen om wat te helpen met de paarden. De dag kan niet meer stuk en ‘Hoe lang nog tot half twee?’ is de meest gestelde vraag de volgende ochtend.

De middag is uiteindelijk een droom die werkelijkheid wordt; nadat de paarden uitgebreid geborsteld zijn, worden er zadels en singels aangerukt. Wij moeders kijken elkaar verrast aan. We hadden ingezet op ‘een half uurtje borstelen en daar mag je blij om zijn’. De meiden hadden veel hoger ingezet; hun volledige paardrijduitrusting was mee, want natuurlijk gingen ze ook rijden. Nadat ze vertrouwd zijn geraakt met de paarden door wat met ze rond te stappen in de paddock, stijgen ze op. Heel even stappen ze wat onwennig om elkaar heen, maar al snel gaat het in tölt, draf en galop door de bak. Het is een prachtgezicht om deze elfjarigen als volleerd amazones en vol zelfvertrouwen te zien genieten van dat wat ze het liefst doen. Als toegift mogen wij ook een rondje, waarbij we gecoacht worden door onze dochters.

Bij het afscheid nemen, krijgen de dames een gesigneerd boek mee. De vrouw des huizes blijkt kinderboekenschrijfster van een serie populaire paardenboeken. Ik moet er inwendig heel hard om lachen en dank het universum; deze middag is natuurlijk geen toevalligheid maar het toppunt van manifestatie. Allereerst de meiden met hun paardenwens, maar ook ik met mijn wens om meer met schrijven te doen, maar niet goed te weten hoe. Ik zie ineens helemaal voor me hoe wel; bij deze!

Kustvisie

In mijn achtertuin woont een mussenfamilie. Vader onderscheidt zich duidelijk van vrouw en kroost door zijn grotere, plompere lijfje en donkerder aftekening op de vleugels. Genoeglijk laten de kleine musjes zich stukjes brood in hun kleine bekjes duwen, waarna ze vervolgens zelf de tegels en voegen afspeuren naar ieniemini kriebelbeestjes. Ook slurpen ze met hun minuscule snaveltjes elk waterdruppeltje dat ze maar kunnen vinden van de kuiltjes op de tegels. Een aandoenlijk gezicht, dat ik stiekem vanachter het keukenraam gadesla. Wanneer ik voorzichtig in de tuin ga zitten, vliegt de hele bende verschrikt op, kijkt vanaf de schutting naar het dreigende gevaar om en beslaat het nog hogerop te zoeken, de kastanjeboom in. Nu er niet veel meer te observeren is, laat ik me achterover zakken in mijn stoel. Mijn ogen vallen als vanzelf dicht; deels door de felle zon die achter de wolken vandaan piept, maar evengoed vanwege nog wat in te halen slaap.

Terwijl ik daar zo lig te soezen, hoor ik aan het zachte gekras van nageltjes op hout, dat de mussen terug zijn in de tuin. Ik open voorzichtig mijn ogen, bang om ze met een onverwachte of te bruuske beweging weer weg te jagen. Het gezin blijft wat op afstand; veilig op, onder en achter de grote tafel, klaar om zo de parelstruik in te duiken. Ik tel wel tien bruine vogellijfjes. Wat me echter niet lukt, is onderscheiden wie de net het nest ontgroeide kuikens zijn en welke exemplaren wellicht hun peuter- en kleutertijd aan het doormaken zijn. Ik realiseer me dat ik – behalve van eenden, zwanen en andere watervogels – eigenlijk nooit jonge vogeltjes zie. Zouden die net zo lang boven in het nest blijven tot ze volgroeid zijn en met pa en ma mee op reis kunnen?

Foto door daniyal ghanavati op Pexels.com

Het vraagstuk doet me denken aan een experiment waarover ik las in het boek Golven van geluk van Linda Dronkers. Het boek op zich is zonder meer een absolute aanrader, maar het experiment is er één waarover je niet snel ‘uitverbaasd’ bent. Het zogenaamde ‘twee spleten experiment‘ toont aan dat niets is wat het lijkt en dat tegelijkertijd alles mogelijk is. Alleen kun je dat niet waarnemen, want van pottenkijkers houdt de natuur niet. Zo dus ook de vogels, begrijp ik. In alle rust voeden ze hun kuikens op, tot die zich kunnen gedragen zoals de buitenwereld dat van ze verwacht.

In mijn nieuwe zelfverkozen rol als observant, wordt het steeds helderder dat we als mensen van aannames, verwachtingen en overtuigingen aan elkaar zitten. Ik heb inmiddels mijn plek in de achtertuin verruild voor het koele terras aan de waterzijde. Onttrokken aan het zicht door een heg die wel een snoeibeurt kan gebruiken, herbergt het strand deze middag slechts een enkele gast. Een groepje kinderen gaat op in hun spel, zich niet gewaar van hoe ver hun stemmen reiken. Ik luistervink even mee in hun wereld: ‘Kom mee, naar die klif! Houd je vast, ik red je, jihaaa!’ De schipbreukelingen verschijnen even later op de voorsteven van het houten speelschip, dat net boven het groen uitpiept. Een stel jongeren dat uitgelaten langsfietst, brengt me terug naar de realiteit. Een oude man die nergens bij lijkt te horen, schuifelt langs geparkeerde auto’s. Zijn Einstein-coupe danst om zijn hoofd, zijn bretels pareren de zwaartekracht die vat heeft gekregen op zijn oude mannen-pantalon.

Onder zijn rechterarm klemt de man twee handdoeken. Roze met wit. Hij is vast op weg naar zijn vrouw, terug naar de auto gestuurd om de droogdoeken te halen. Voetje voor voetje gaat hij voort, tussen de auto’s steeds een blik werpend op het strand beneden hem. Af en toe kijkt hij om. Onze blikken kruisen elkaar en we knikken elkaar beleefd toe. Als uithangbord voor mijn bijzondere woonplek, ben ik inmiddels gewend aan dit ritueel. Wanneer ik even wat langer naar de wolken staar, van die lekkere dikke vette wattenbollen, ben ik hem erna kwijt. Speurend tuur ik langs de strandopgang, waar een moeder haar kind probeert zandvrij op de fiets te krijgen. Dan zie ik hem weer, een stuk verderop. Hij loopt langs het water, blootsvoets. In elke hand een schoen. Van de handdoeken ontbreekt elk spoor.

Jupiter

Emoties bouwen op, onrust borrelt vanuit allerlei hoeken je bewustzijn in en je verslindt ineens aardbeien; er verdwijnen ponden vol in zelfgemaakt ijs en op, in of naast het ontbijt prijken meerdere glanzend rode exemplaren. Ook de tuin kun je niet meer in zonder te speuren naar een paar rijpe vruchten onder de overhangende bladeren. Onder invloed van de maan die morgen in volle glorie aan de hemel staat, ga je er zelfs ’s nachts spontaan op uit om je te goed te doen aan zomerkoninkjes. Op het hoogtepunt van alle opgebouwde emoties van weer een maand asgrauw zijn, wassen, krimpen en vernieuwen gooi je je hoofd in je nek en jank je als een wolf richting de grote roze bol aan de hemel. Overigens niet als een wolf in schaapskleren die heel graag wil dat we gaan dansen; die rol is namelijk al vergeven…

Tot dusver wat uitingen die het gevolg zijn van de verstoring van het elektromagnetisch veld. Altijd wanneer ik me vreemd ga voelen, ligt de oplossing in het checken van de stand van de maan. Doorgaans verklaart dat een hoop, helemaal als ik dan lees dat de zon in Kreeft staat (mijn sterrenbeeld), maar de maan in Steenbok. Daar gaat al iets grondig mis, want de maan hoort bij Kreeft! Conflict tussen gevoel en verstand is het resultaat. Tel daarbij op dat de volle maan deze maand in Steenbok staat en nonchalance en onverantwoordelijkheid hebben vrij spel. Gelukkig wel vanuit een diep geworteld optimisme en vrijheidslievendheid. Komt het toch nog allemaal goed met de wereld (en met mij).

Over tot de orde van de dag. Het rijstexperiment is ten einde. Drie weken lang hebben we twee potjes onschuldige, witte rijst te pas en te onpas geliefkoosd danwel uitgescholden. De laatste dagen vooral met mijn nieuwe lievelingsscheldwoord ‘stronzo!’, dat veelvuldig gebezigd wordt in vrijwel alle Italiaanse films. De vrouwelijke variant is overigens ‘stronza’, wat eigenlijk best lief klinkt. ‘Mama, c’è mia stronza!’ riep mini-me dan ook toen ik haar broodje hagelslag voor stronzo had uitgescholden. Alle hagels vlogen eraf bij een poging het brood te snijden; nauwelijks de schuld van het brood, zeer waarschijnlijk mijn eigen. Maar terug naar de rijst.

De foto zegt al een hoop; de uitgescholden rijst is veranderd in een viezige, bruine, afschuwelijk geurende massa. Eerlijkheid gebied te zeggen dat er na drie weken schelden en liefkozen uiterlijk niet zoveel aan de hand leek. De korrels die onder de etiketten zichtbaar waren, waren in alledrie de potjes even wit en korrelig. Pas toen we de deksels van de potjes draaiden, bemerkten we een verschil; potje groen en paars openden met een doffe plof, waarna er een onwelriekende gistende geur zich door de keuken verspreidde. Met opgetrokken neus openden we daarna potje blauw; het was nog net geen knal, maar de gisting was er tot een hoogtepunt gekomen. Een oorverdovende geur steeg op, maar daar bleef het bij. De korrels in alledrie de potjes zagen er eender uit; wit, losjes gerangschikt en schoon. Enigszins teleurgesteld draaiden we de deksels weer op de potten, om ze vervolgens in het raamkozijn achter te laten. Nu, zo’n klein weekje later, is echter klip en klaar wat schelden, minachten en boos doen teweegbrengen. Overigens is ook de rijst in het paarse potje inmiddels aan het verkleuren; roemen, liefkozen en vleien terwijl je het niet echt meent werken dus ook niet bijzonder goed. Jammer dat de ‘L’ nog niet aan de beurt is, want The Beatles hadden het bij het rechte eind; laten zijn is het beste dat je kunt doen. Met alles, met iedereen.

gewoon een lief liedje

In my blood

Ik sjok over straat met in mijn kielzog een bolderkar. Een blauwe, volgestouwd met twee blauwe tenten en blauw tentzeil. Het is stil en haast uitgestorven. Alle mensen zijn naar hun werk – alhoewel er gezien de hoeveelheid auto’s op de opritten meer thuis dan uit zullen zijn – en alle kinderen zitten netjes in bankjes opgeborgen. De blauwe kliko’s op de stoepranden suggereren dat het woensdag is. Het gewicht van mijn aanhangsel rechtvaardigt het slome tempo waarin ik me voortbeweeg. De ochtendhitte die al van de zon afstraalt maakt dat ik me haast kruipend over de tegels voel gaan. Door mijn slakkengangetje heb ik ruim gelegenheid de enorme keur aan dozen naast, op en tussen de kliko’s te bestuderen. Als ik een turflijstje bij me had, zouden Plus en Hello Fresh om de winst wedijveren, gevolgd door meerdere fabrikanten van luchtkoelers en zwemattributen. De naam van een andere doos brengt me wat in verwarring; Stardupp, alsof degene die Startup tegen de beletteraar zei net een enorme verkoudheid had, of – zoals ik nu – door graspollen gezegend was met een dichtgeslibde, snot producerende neus met bijbehorende jeuk- en traanogen. Het blijkt een sup-merk te zijn, zie ik later als ik tijdens een avondwandeling langs het water een groene Stardupp op een autodak gebonden zie.

Mijn huidige stek aan het water krijgt steeds meer weg van een tropische locatie. Overdag wappert de groene vlag ten teken dat het water schoon is, parasols wedijveren om de beste schaduwplek en er wordt gezwommen – voor zover dat mogelijk is in knie- tot, vooruit, heupdiep water met daarin een gulle hoeveelheid plant – gevaren en gesupt. ’s Avonds komen de sporters en worden beachvolleybalnetten opgetuigd, strijken de kanoërs neer voor een korte pauze en galmt de muziek van de personal trainers over de kade. Het doet me denken aan mijn vakanties in Italië, waar je overdag loom van de hitte tussen water, ijs en strand laveert en ’s avonds flaneert door de gezellige, oude stadjes.

Op een tijdstip waarop je met de huidige temperaturen siësta hoort te houden en al zeker geen wandeling moet maken, sjok ik wederom de wijk door. Ik hop van schaduw naar schaduw en maak weer gebruik van mijn tempo om te koekeloeren. Dit keer is het een bureaustoel die wacht tot de vuilniswagen hem meeneemt. Hij ziet er op het eerste gezicht nog prima uit, maar als ik dichterbij kom zie ik dat de grijze stukken aan weerszijden van de rugleuning niet door de ontwerper zijn bedacht. Ik vraag me af hoe de vorige eigenaar van de stoel zijn uren doorbracht, of liever waarmee. Want hoe krijg je in hemelsnaam twee stukken bekleding kapot geschuurd/gedraaid/geschoven ter hoogte van je lendenen? Dat zijn nou niet bepaald lichaamsdelen die los van de rest van je bovenlijf kunnen bewegen. Ook staan ze er niet in een bepaalde hoek vanaf, wat het verslijten van slechts twee plekken zou verklaren. Ik hoef gelukkig niet heel lang mijn hoofd over dit mysterie te breken, want uit een steegje komt een glazenwasser in monter tempo de hoek om. Hij torst een meterslange houten ladder op zijn rechterschouder, de linkerarm schommelt losjes langs zijn zij. Zijn biceps, triceps, sixpack, trapeziussen en nog een heleboel andere spieren met prachtige Latijnse namen, glimmen van kracht. Ik krijg een vette knipoog mijn kant op, vergezeld van een melodieus ‘Ciao Bella!’

Verzot op deze Italiaanse klanken mijmer ik lekker verder op mijn tocht onder de brandende Gooise zon.

Tips voor heerlijke Italiaanse films:

  • L’isola delle Rose
  • Sotto il Sole di Riccione
  • Scusato se esisto
  • Poli opposti
  • Io che amo solo te
  • Sei mai stata sulla luna?
  • Una casa nel cuore

Help!

Bij de gate staat een rij mensen te wachten. Het routinekarakter van hun reis spreekt uit hun lichaamstaal. Blik op oneindig, hangende schouders, gedwee meeschuifelend op de maat van voetje-voor-voetje-toch-vast-wat-verder-naar-voren. Het moment tot er eindelijk geboard kan worden duurt altijd te lang, de tijd trager dan traag. Ook al tikt de klok braaf de laatste minuten weg, oponthoud zit in een klein hoekje. Ze ontspannen pas als ze met ingetrokken landingsgestel hoog in het luchtruim zweven. 
Dan stuift er een dame met donkere krullen de ruimte binnen. In een oogwenk verandert de energie van muf, stoffig en gelaten naar sprankelend en nieuwsgierig, opgeschud en argwanend. Hoofden draaien, monden zakken open, ogen proberen te duiden wat er gebeurt. Maar nog voor iemand iets kan zeggen is de vrouw weer verdwenen. Als in het niets lijkt het; men komt er niet achter, want de volgende verrassing dient zich aan. Een bonte stoet volgelingen waggelt, trippelt, fladdert en scharrelt binnen. Nu ontwaken de mensen pas echt uit hun wachtrij-hypnose. Ze proberen vat te krijgen op de kip, pad, schildpad, vos, das en eend. De dieren zijn niet gediend van deze aandacht en blazen, bijten en grommen de mensen op afstand. 

En op dit punt ontwaakt mijn brein. Vanuit de droomstaat – theta-golven voor de liefhebber – schakel ik om naar een toestand waarin ik mijn gedachten bewust kan sturen, de alpha-golven. Ik probeer te achterhalen wie de vrouw is, of ik haar ken of op zijn minst herken. Ik besef dat ik geen gezicht heb geregistreerd, terwijl ik tijdens sommige dromen een bepaald persoon heel levendig voor me zie. Net of deze vrouw er dus eigenlijk niet was. Alsof haar energie enkel langskwam om afscheid te nemen. Maar afscheid waarvan dan, of van wie? En dan die dieren, wat hebben die te betekenen? Natuurlijk krijg ik op dat moment geen antwoord op de vragen die ik op mijn brein afvuur. Wat ik me in de loop van de dag wel realiseer, is dat deze periode in het jaar er een van afscheid nemen is. In het bijzonder voor mijn lieve ‘mini me’, die over enkele weken de deuren van de basisschool voorgoed achter zich zal sluiten.

Met een heerlijke krachtige, energieke en onuitputtelijke motivatie heeft ze zich op haar eindmusical gestort. Rol naar keuze in de pocket en oefenen maar! Zonder dat ik ook maar enige aansporing hoef te geven, wordt er tekst gearceerd – ‘In twee kleuren mam, want het een moet ik zeggen en het ander doen,’- kleding uitgezocht (niet alleen voor zichzelf, maar ook voor klasgenoten) en via een app een hele riedel maffe liedjes ingestudeerd. Dit proces roept bij mij vervolgens een stroom geweldige herinneringen op. Want alhoewel het voor (bijna) niemand meer een geheim zal zijn dat ik mijn verkering met het onderwijs heb verbroken, heb ik altijd ontzettend genoten van de musicals. De zelfgemaakte welteverstaan, waar ik de regie over had (iets met zelluf willen doen; autonomie).

In mijn digitale archief vind ik diverse opnames terug. Ik ben in het bijzonder nieuwsgierig naar die van 2006, toen ik voor het eerst een groep acht onder mijn hoede had die bestond uit slechts twaalf kinderen. Een bijeengeraapt zooitje kinderen, voor het eerst bij elkaar in de klas, waarvan de helft erg goed in staat was er voor zichzelf en de rest een zooitje van te maken. Het heeft me wat hoofdbrekens gekost, er vlogen wat stoelen, tranen en scheldwoorden door de klas, maar uiteindelijk werd het een groep. Misschien wel door die musical, waarbij we – als in: ik en de bevlogen collega van de klas tegenover de mijne, zonder wiens fantastische hulp ik niet had geweten waar te beginnen – de kinderen lieten doen waar ze goed in waren. Talent Gezocht! werd daardoor een heerlijke show met humor, pit, passie, veel interactie en bravoure. Met eenwielers, djembés, rappers, zangers, jojo-ers, The Beatles, een live band en zelf gespoten graffiti.

Het zien van de beelden ontroert me en doordrenkt me met het besef dat kinderen zoveel zelf kunnen en zoveel talenten hebben, maar vooral ook dat ze elkaar zo supergoed kunnen helpen. Slechts een klein knikje van ‘jij bent nu’ van het meisje naast hem, is wat een jongetje nodig heeft om zijn tekst weer te weten. Een extra rukje aan het gordijn door een ander kind maakt degene op het podium nog beter zichtbaar voor het publiek. Geef kinderen passende verantwoordelijkheid en ze nemen hem, geef ze een uitdaging die matcht met hun capaciteiten en ze gaan hem aan. Laat ze hun eigen pad volgen en vooral; geef ze het vertrouwen dat ze het kunnen.

voor Lisa
'

Gabriella´s song

Het is tijd voor de G. Voor wie deze stukjes slechts af en toe of juist in sneltreinvaart leest, wil ik dat best even toelichten; ik schrijf op alfabetische volgorde. Een zelfbedacht project waarbij ik aan elk blog een lied koppel. Wekelijks een blog schrijven is op zich al een uitdaging – voor mij overigens een van de leukste uitdagingen die ik kan bedenken – er keer op keer weer een passende song bij vinden maakt het een uitdaging in het kwadraat. Niet erg, worden mijn hersens blij van. Leren ze weer wat nieuws, houden ze van.

Bij het speuren naar input voor deze blog pluis ik wat ongeduldig de krant uit. Doorgaans heb ik al wel een verhaal ergens in mijn hoofd, een titel van een liedje op een andere plek paraat en op zeker moment vinden die twee elkaar. Dan is het enkel nog een kwestie van de ingrediënten op de juiste manier mixen en tot een opdienbaar gerecht omtoveren. Vandaag wil dat niet zo. De G zit zijn eigen verhaal in de weg. Van de krant word ik niet veel vrolijker en ik raak er enkel verstrikt in verhalen over ‘Godfathers’, verdenkingen van drugsgebruik in Greenrooms, de GGD en geharrewar over indianen en cowboys en opportunisten die zelf teststraten mogen opzetten. Aangezien dat mag tegen zelfgekozen tarieven zijn we vanzelf weer terug bij de maffia. Zucht, what else is new?

Dan maar de keuken in waar een soepje staat te pruttelen en de lege bouillonpot in afwachting is van haar volgende bestemming. Het glaswerk wordt namelijk onderdeel van een experiment. Dat ik graag nieuwe dingen leer is geen geheim en één van de onderwerpen waar ik mij helemaal in kan verliezen is epigenetica. Genetica op zichzelf is al interessant, maar het epi-voorvoegsel maakt dat het tot epische proporties uitgroeit! Kortgezegd gaat het erover dat onze genen door ervaringen en omstandigheden worden aan- of juist uitgezet. Een mooi voorbeeld is bijvoorbeeld dat alle vrouwtjesbijen in beginsel gelijk zijn. Doordat de koninginnelarve echter ander voedsel krijgt, groeit zij uit tot de koningin en de andere bijen tot werksters. Dit gegeven impliceert dat je je eigen constitutie op de een of andere manier dus ook kunt ‘herprogrammeren’. Iets waar dr. Joe Dispenza in zijn lezingen en boeken uitvoerig op ingaat. Ik laat de nieuwe kennis en informatie tot in elke vezel van mijn lijf doordringen en ga ermee aan de slag. Het zal wel even duren voor mijn genen snappen dat ze bij chocola en een broodje kaas geen alarmbellen af hoeven laten gaan, dus voor bewijs op de korte termijn voer ik de aankomende weken het volgende experiment uit. Niks nieuws overigens, allang bewezen, maar nog niet door mij:

Drie weken lang staan er drie potjes gekookte witte rijst in mijn huis. De een spreek ik gedurende die weken liefdevol toe, de tweede krijgt boze taal naar zijn witte korrels geslingerd en de derde wordt volledig genegeerd. Dochterlief wil graag aan het experiment meedoen, maar trekt een beteuterd gezicht als ik haar de acties uitleg. ‘Mam, dat vind ik zielig voor de rijst!’ Moet je nagaan hoe zielig het voor jezelf of een ander is als je onaardig doet, (ver)oordeelt, kleineert, onderdrukt, beknelt. Ik zal de aankomende weken verslag doen van de ontwikkelingen in de potjes. En zullen we dan afspreken dat als ik het bewijs heb dat liefdevol toespreken voor gezonde, witte rijst zorgt, we mét elkaar dan ook weer aardig gaan doen tégen elkaar en onszelf? Of zoals Joe Dispenza het verwoordt:

My hope is that we become a more evolved form of the human species who when freed from the chains of their own limits, heal one another; inform one another; support one another; trust one another; cooperate with one another; honor one another; shine for one another so that others can shine as well.

Benieuwd naar de soep? Koop een pot Kippenbouillon, vier ons spruitjes en diepvriesspinazie. Kook de spruitjes in een halve liter water. Pureer de spruitjes. Voeg de kippenbouillon en ca. twee ons spinazie toe, breng aan de kook en klaar is je soep. Genieten? Zeker weten!

Floyd

Op het terras klitten de mensen in plukjes samen. De regen heeft kapsels verwoest, broeken en schoenen doorweekt en brillen voorzien van een vage waas. Grote parasols vervullen vandaag hun taak als paraplu en waken over de hoofden van de verzopen katjes. Terrasverwarmers geven een zweem warmte af die net tot aan kleffe bovenbenen golft. Het is lente. ´In Nederland regent het,´ voegt een dame aan het naastgelegen tafeltje er voor haar buitenlandse tafelgenoot aan toe. ´Ja, 11 procent van de tijd,´ fluister ik mijn eigen verzopen katje grinnikend toe. Een vernietigende ruk van het dameshoofd met bijbehorende blik stoomt mijn kant op. Ik laat ‘m lekker doorkoken en verder waaien.

In het andere kwart onder ‘onze’ heater woedt een verhit gesprek over nalatige tandartsen, kronen die zomaar weggegooid worden en tut tut tut nog meer klagenswaardig leed. ‘Je zou zo´n tandarts toch, misschien toch maar overstappen naar een ander?’ suggereert de vriendin die duidelijk had gehoopt op een relaxed middagje op het terras. De aanklaagster (het zijn verdacht veel vrouwelijke zeikerds deze middag) zucht dat dat onmogelijk is. Haar tandarts weet het elke keer zo te plannen dat hij dienst heeft als zij een afspraak maakt.

Ik onderdruk een volgende sneer – ik kom op dreef zo tijdens deze onverwacht heerlijke afluistermomenten – en richt mijn aandacht weer op mijn eigen gezelschap. Zinloos, want de 11-jarige balanceert haar aandacht tussen een beker choco en een schermpje. Onder het geruststellende getik op het doek boven mijn hoofd, bijgevallen door vogelgetjilp in stereo laat ik mijn focus los en dwaal wat rond in mijn gedachten. Een herinnering plopt op. Dat doet hij de laatste tijd wel vaker, dus ik neem rustig de tijd om het hele verhaal zich te laten ontvouwen, de vage contouren weer helder te laten worden en een begin – midden – eind te ontwaren.

En dan ben ik ineens weer in Savannah, Georgia, VS. Het is september 1999 en ik heb een eindeloze maand in het vooruitzicht. Een maand waarin ik student-af moet zien te worden en me mentaal voorbereid op het serieuze leven dat komen gaat. Het wordt een maand van zoveel mogelijk lol, onbezorgdheid, ritjes naar ‘The Mall’, dansen op 2Unlimited, dagjes naar het strand, een boottocht door een moeras met bijbehorende alligators, wandelingen over kerhoven waar het spookt, kijken naar het bankje van Forrest Gump, eindeloos veel fudge naar binnen werken en niet meer naar buiten durven door ‘The Blair Witch’. Halverwege al dit zaligs dient zich echter een spelbreker aan; Floyd. Floyd de orkaan welteverstaan, die dreigend op Savannah afstevent en voor heel wat schade belooft te gaan zorgen. Al bowlend en vervolgens balletjes wegtikkend op de midgetgolfbaan wordt ons de omvang van Floyd steeds duidelijker; via de luidsprekers worden we gesommeerd de volgende ochtend voor 9 uur de stad te hebben verlaten. Evacueren is verplicht en dat zorgt voor onrust, paniek en het in allerijl een schuilplaats vinden. Wie geen toevluchtsoord heeft, kan met de resterende bevolking in een sporthal schuilen tot Floyd uitgeraasd is.

De volgende ochtend rijden we voor dag en dauw samen met de voltallige Savanniaanse bevolking de stad uit. Of zoals het beeldend verwoord staat in The New York Times:

The evacuation of Savannah began at dawn today, an endless motorized march of steaming engines and crying children fleeing the winds that threatened this old city’s historic buildings and Spanish moss.

De snelwegbanen die normaal gesproken stad inwaarts gericht zijn, zijn van richting veranderd en helpen het verkeer sneller van de mogelijke onheilsplek weg te komen. Als trage stroop kruipen we voort, enkele honderden kilometers landinwaarts nog te gaan naar ons schuiladres, in afwachting van wat komen gaat. Een surrealistische toestand; we zijn wel wat regen en wind gewend in ons eigen kleine kikkerlandje, maar kunnen ons geen voorstelling maken van wat een geweld een orkaan met zich meebrengt.

Ondanks de dreigende weerberichten zijn er ook mensen die zich niet gek laten maken; groot geworden in een stadje dat gedrenkt is in mystiek en magie en volhangt met Spanish moss, geloven ze dat ‘divine intervention‘ ze zal beschermen tegen orkanen. Ze krijgen gelijk. Floyd blijkt zich boven land al snel te vervelen en zijn strijd te staken. We treffen de stad nog zo aan als we haar achterlieten, met wat afgebroken takken als bewijs dat hij zich wel even heeft laten zien. De bewoners halen gelaten maar opgelucht de houten platen voor de ramen weg, winkels openen een voor een hun deuren weer en het normale leven hervindt zijn weg.

Tik tik tik tikt het lepeltje in het glas van dochterlief. Een laatste restje schuim prijkt op haar bovenlip, de regen heeft haar strijd gestaakt. Ook het gemopper om ons heen is verdwenen. Een weldadige rust daalt over het terras. Konden alle ‘stormen’ maar zo kort en krachtig zijn.